Germanic Languages Verb Conjugations: Be

  


back to list of Germanic verbs


 

to be
German Dutch Swedish
Infinitive sein zijn vara
       
Present bin ben är
bist bent är
ist is är
sind zijn är
seid zijn är
sind zijn är
Present Perfect bin gewesen ben geweest har varit
bist gewesen bent geweest har varit
ist gewesen is geweest har varit
sind gewesen zijn geweest har varit
seid gewesen zijn geweest har varit
sind gewesen zijn geweest har varit
Past war was var
warst was var
war was var
waren waren var
wart waren var
waren waren var
Past Perfect war gewesen was geweest hade varit
warst gewesen was geweest hade varit
war gewesen was geweest hade varit
waren gewesen waren geweest hade varit
wart gewesen waren geweest hade varit
waren gewesen waren geweest hade varit
Future werde sein zal zijn skall vara
wirst sein zult zijn skall vara
wird sein zal zijn skall vara
werden sein zullen zijn skall vara
werdet sein zullen zijn skall vara
werden sein zullen zijn skall vara
Future Perfect werde gewesen sein zal geweest zijn skall ha varit
wirst gewesen sein zult geweest zijn skall ha varit
wird gewesen sein zal geweest zijn skall ha varit
werden gewesen sein zullen geweest zijn skall ha varit
werdet gewesen sein zullen geweest zijn skall ha varit
werden gewesen sein zullen geweest zijn skall ha varit
Conditional würde sein zou zijn skulle vara
würdest sein zou zijn skulle vara
würde sein zou zijn skulle vara
würden sein zouden zijn skulle vara
würdet sein zouden zijn skulle vara
würden sein zouden zijn skulle vara
Past Conditional würde gewesen sein zou geweest zijn skulle ha varit
würdest gewesen sein zou geweest zijn skulle ha varit
würde gewesen sein zou geweest zijn skulle ha varit
würden gewesen sein zouden geweest zijn skulle ha varit
würdet gewesen sein zouden geweest zijn skulle ha varit
würden gewesen sein zouden geweest zijn skulle ha varit
Subjunctive sei * * * * * *
seiest * * * * * *
sei * * * * * *
seien * * * * * *
seiet * * * * * *
seien * * * * * *
Past Subjunctive wäre * * * vore
wärest * * * vore
wäre * * * vore
wären * * * vore
wäret * * * vore
wären * * * vore
Imperative
Singular Familiar sei wees var
Singular Formal seien Sie weest u var
Plural Familiar seiet wees var
Plural Formal seien Sie weest u var
Present Participle seiend zijnd varande
Past Participle gewesen geweest * * *
Supine * * * * * * varit


Return to top of page ↑


© 1997 - 2014 Jennifer Wagner

ielanguages [at] gmail [dot] com

DisclaimerSite Map