Germanic Languages Verb Conjugations: Go

  


back to list of Germanic verbs


 

to go
German Dutch Swedish
Infinitive gehen gaan
       
Present gehe ga går
gehst gaat går
geht gaat går
gehen gaan går
geht gaan går
gehen gaan går
       
Present Perfect bin gegangen ben gegaan har gått
bist gegangen bent gegaan har gått
ist gegangen is gegaan har gått
sind gegangen zijn gegaan har gått
seid gegangen zijn gegaan har gått
sind gegangen zijn gegaan har gått
       
Past ging ging gick
gingst ging gick
ging ging gick
gingen gingen gick
gingt gingen gick
gingen gingen gick
       
Past Perfect war gegangen was gegaan hade gått
warst gegangen was gegaan hade gått
war gegangen was gegaan hade gått
waren gegangen waren gegaan hade gått
wart gegangen waren gegaan hade gått
waren gegangen waren gegaan hade gått
       
Future werde gehen zal gaan skall gå
wirst gehen zult gaan skall gå
wird gehen zal gaan skall gå
werden gehen zullen gaan skall gå
werdet gehen zullen gaan skall gå
werden gehen zullen gaan skall gå
       
Future Perfect werde gegangen sein zal gegaan zijn skall ha gått
wirst gegangen sein zult gegaan zijn skall ha gått
wird gegangen sein zal gegaan zijn skall ha gått
werden gegangen sein zullen gegaan zijn skall ha gått
werdet gegangen sein zullen gegaan zijn skall ha gått
werden gegangen sein zullen gegaan zijn skall ha gått
       
Conditional würde sein zou gaan skulle gå
würdest sein zou gaan skulle gå
würde sein zou gaan skulle gå
würden sein zouden gaan skulle gå
würdet sein zouden gaan skulle gå
würden sein zouden gaan skulle gå
       
Past Conditional würde gegangen sein zou gegaan zijn skulle ha gått
würdest gegangen sein zou gegaan zijn skulle ha gått
würde gegangen sein zou gegaan zijn skulle ha gått
würden gegangen sein zouden gegaan zijn skulle ha gått
würdet gegangen sein zouden gegaan zijn skulle ha gått
würden gegangen sein zouden gegaan zijn skulle ha gått
       
Subjunctive gehe * * * * * *
gehest * * * * * *
gehe * * * * * *
gehen * * * * * *
gehet * * * * * *
gehen * * * * * *
       
Past Subjunctive ginge * * * * * *
gingest * * * * * *
ginge * * * * * *
gingen * * * * * *
ginget * * * * * *
gingen * * * * * *
Imperative
Singular Familiar geh(e) ga
Singular Formal gehen Sie gaat u
Plural Familiar geht ga
Plural Formal gehen Sie gaat u
       
Present Participle gehend gaand gående
Past Participle gegangen gegaan gången
Supine * * * * * * gått


Return to top of page ↑


© 1997 - 2014 Jennifer Wagner

ielanguages [at] gmail [dot] com

DisclaimerSite Map